dinsdag 20 november 2007

Sterven in Amsterdam

In de zomer van 2007 overleed mijn onderbuurman aan een voor mij onbekende oorzaak. Een politieman moest met een trap naar de eerste verdieping klimmen, en zich door een kier van het nauwelijks geopende keukenraam wurmen. Het was een warme zomerdag en het zweet moet deze agent op de rug hebben gestaan. Een jonge, en duidelijk minder ervaren collega hield onderaan de trap vast, en wij keken gespannen omhoog, loerend naar het keukenraam waardoor de agent net verdwenen was.

Twee weken hiervoor was mij een vervelende lucht opgevallen in het huis, die ik weet aan een overleden muis of rat ergens tussen de muren, het kon ook goed de vuilniszak zijn die mijn overbuurman al twee weken voor zijn deur had staan. Dat dit mogelijk een lijkenlucht zou kunnen zijn kwam niet in mij op omdat ik simpel genoeg nooit een lijkenlucht heb geroken. Onze maatschappij zorgt ervoor dat wij beschermd blijven van de geur van dood. En dit heeft ook een zeer hygiënische oorzaak natuurlijk.
Gealarmeerd door de benedenbuurvrouw was de politie komen kijken, en toen het gezicht van die wat dikke diender die zich naar binnen had gewurmd weer voor het raam verscheen wisten we dat het mis was. De stank binnen moet ondraaglijk geweest zijn en toen de agent nuchter met zijn hoofd heen en weer schudde, nog staande achter het raam in de keuken, was het eerste dat in mij opkwam een gevoel van respect voor deze agent. Wij waren met een aantal medebewoners, en de onderonderbuurman, een ambachtelijke houtbewerker en meubelmaker, samengeschoold rondom de ladder naar het keukenraam en waarvoor wij hadden gevreesd was waarheid geworden. Onderbuurman was niet meer.

Soms kwam je hem tegen bij de deur beneden, vriendelijk hield hij deze voor je open, of gaf hij je jouw post mee. Een wat oudere man, met steevast dat honkbalpetje op zijn hoofd, wat hem ook weer een wat jeugdig elan gaf. Werkeloos ? afgekeurd ? in ieder geval niet op volle kracht meegaand in onze gehaast doordraaiende wereld. Met een aura van niet zelfgekozen eenzaamheid, waardoor je toch weer snel langs hem heen liep na een vriendelijk en gemeende groet.
Nu heb ik in dat huis in de Amsterdamse Pijp sowieso geen of nauwelijks contact met mijn medebewoners. Er is ook niets wat ons samenbindt. Maar plots, staande daar rondom die ladder, was het onze overleden buurman als verbindende factor. En het was het onuitgesproken besef dat deze man in totale eenzaamheid was gestorven dat ervoor zorgde dat we even ons aan elkaar vastklampten. Hij trok ons postuum als een vacuümbel uit onze dagelijkse gedachtestroom en drukdoenerij. En ergens in mijn hoofd kwam die dag piepend en knarsend tot stilstand.

Een week later rij ik in gelaten stemming naar de begraafplaats, wetend dat naast buurman er maar 2 gasten zullen zijn. Geen familie, maar alleen de meubelmaker en mijn bovenbuurman. Van het groepje rondom de ladder zijn wij drieën over. Niemand heeft zicht gemeld voor buurman, geen familie, geen vrienden. Als dat niet door de ziel snijdt.
Wij zijn alledrie vreemden van buurman, nog niet eens vage bekenden. Het praatje op de trap of op de stoep is het enige contact geweest. En wat wordt zo'n praatje dan opeens belangrijk. Waren dit de enige gesprekken van buurman in de laatste jaren van zijn leven ? Hoe eenzaam kun je eigenlijk worden in je leven, in de stad, in Amsterdam.

Die ochtend heb ik een schilderijtje uit het trappenhuis gehaald van een stoomboot. Van de meubelmaker weet ik dat buurman ook schipper is geweest. De meubelmaker, die bij afwezigheid van familie ook de begraafplaats heeft moeten uitzoeken (anders wijst de Gemeente er een aan), leest een gedicht voor. Het zal de enige begrafenis worden in mijn leven waarbij de dienst wacht op mijn komst. Ik ben wat laat en als ik binnenloop kan de korte plechtigheid beginnen. Buurman krijgt een plekje niet ver van de spoorlijn, naast een aantal anonieme graven. Als er wat aarde op de kist is geschept kijk ik na een kort moment van twijfel de grafgraver aan, hij stopt met scheppen. Ik leg het schilderijtje met de stoomboot op het zand, en ergens diep van binnen wens ik buurman een behouden reis naar huis hoe. Een huis dat deze wereld misschien nooit voor hem geweest is.

Je moet tegen de eenzaamheid van de grote stad bestand zijn, maar nu ik van dichtbij een medemens heb meegemaakt zonder familie en schijnbaar zonder vrienden, kijk ik tegen sommige dingen anders aan. De stad is soms een groter onpersoonlijk monster dan ooit, maar de menselijkheid is soms meer hartverwarmend dan ooit. Bij de meubelmaker komt wekelijks een oude meneer een praatje maken, om het praatje. Deze man heeft niemand verder, alleen de stad en haar gehaaste inwoners.

L.Lecarme
Amsterdam

Geen opmerkingen: